Verplichtingen van de kapitein

Afdrukken E-mail

Reddingsmiddelen

Artikel 110.

1. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat bij de aanvang van en gedurende de reis:

(a)de voor reddingsdoeleinden aangewezen boten steeds voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;

(b)de motoren van de reddingboten gereed zijn om onmiddellijk na de tewaterlating te kunnen werken;

(c)de lopers der boot takels klaar opgeschoten en voor gebruik gereed zijnen de sjorrings van de boten gemakkelijk kunnen worden losgemaakt;

(d)de davit potten vrij van water en de bewegende delen, als davits, kranen, klampen en dergelijke roestvrij en goed gangbaar zijn;

(e)het drinkwater en de voedingsmiddelen in de boten aanwezig en te allen tijde voor gebruik geschikt zijn;

(f) een stuurman of een gediplomeerd sloepsgast belast is met het bevel over elke boot, de opvolgers in het bevel zijn aangewezen en de overige sloepsgasten over de boten zijn verdeeld;

(g)hij die met het bevel over een boot is belast, een lijst van de bemanning van de boot heeft en toeziet, dat deze bemanning bekend is met haar plaats en werkzaamheden;

(h)voor elke motorboot iemand is aangewezen, die in staat is de motor te behandelen;

(i)voor elke boot die voorzien is van een radiotelegraaf inrichting of van een zoeklicht, of van beide, iemand is aangewezen, die in staat is deze inrichtingen te bedienen;

(j)één of meer stuurlieden voor het dagelijks toezicht op de onmiddellijke gereedheid van de reddingboten en drijvende toestellen zijn aangewezen;

(k)geschikte middelen buiten de machinekamer aanwezig zijn, welke kunnen beletten dat het binnenboordswater in de tewater liggende boten kan lopen.

 

2. De kapitein is voorts verplicht zorg te dragen, dat:

(a)elke boot minstens een maal per vier maanden buitenboord wordt gedraaid en te water wordt gebracht, waarbij moet worden nagegaan of zij voldoende waterdicht is;

(b)de volgens de sloepenrol als roeiers aangewezen schepelingen ten minste eenmaal per vier maanden geoefend worden in het roeien;

(c)in de boten geen andere zaken worden geborgen, dan die tot de uitrusting van de boot behoren;

(d)de appèls van de bemanning voor oefening met de boten ten minste maandelijks worden gehouden;

(e)bij achtereenvolgende oefeningen met boten verschillende groepen van boten om beurten worden gebruikt en de oefeningen zodanig worden geregeld, dat de bemanning op de hoogte is van en geoefend is in de werkzaamheden, die zij in geval van nood moet verrichten en dat alle reddingsmiddelen met de daarbij behorende uitrusting te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;

(f)aan boord van schepen, waarvan de reis langer dan een week duurt, kort na het begin van de reis, appèls tot oefening van de passagiers worden gehouden met het oog op het zich verzamelen op de appèlplaatsen en het juiste gebruik van de reddinggordels.

 

3. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat indien één of meer draagbare radiotelegraaftoestellen voor de reddingboten aan boord zijn, voor elk toestel iemand is aangewezen, die in staat is het te bedienen en in geval van nood het toestel in de daarvoor aangewezen boot brengt.

 

Opmerking;

Zoals u in regel 1(f) kunt lezen, worden alleen stuurlieden en sloepsgasten door de wet aangewezen als bevelvoerder over een sloep. Het sloepsgast diploma kan verkregen worden na een opleiding. Het diploma wordt uitgereikt door de Scheepvaart Inspectie. Voor dit diploma zijn ook scheepswerktuigkundigen opgeleid. Een voorbeeld van zo'n diploma vindt men hieronder.
 

Sloepgastdiploma